Een lesprogramma dat kinderen leert over hun lichaam, maar weigert te zeggen dat jongens een penis hebben en meisjes een vagina — dat is wat de Australische deelstaat Victoria sinds enkele jaren voorschrijft in het basisonderwijs. Klinisch psycholoog Sandra Pertot, vijftig jaar actief in de seksuologie, ontleedde het officiële lesmateriaal op Gender Clinic News en concludeert dat scholen onder het label "inclusie" een stap terugzetten die ze bij andere onderwerpen allang achter zich lieten: schaamte over het lichaam, nu verpakt als vooruitgang.

Wat het lesprogramma precies vermijdt

De kern van Pertots kritiek richt zich op het "Resilience, Rights & Respectful Relationships"-programma (RRRR), het verplichte kader voor seksuele vorming op Victoriaanse basisscholen, en op het onderliggende National Respectful Relationships Education Framework. Het voorgeschreven boek "What Makes a Baby" (voor kinderen van vier tot acht jaar) legt voortplanting uit met abstracte figuren zonder geslachtsdelen en zonder dat het woord geslachtsgemeenschap valt. De opvolger voor oudere kinderen, "You-ology: A Puberty Guide for Every Body", beschrijft puberteit vooral in termen van hormonen in plaats van de lichamelijke ontwikkeling die bij jongens en meisjes verschillend verloopt. Lesmateriaal bij het programma instrueert leraren expliciet om "gendering anatomy" te vermijden, met als voorbeeld de formulering dat "niet alle jongens een penis hebben, niet alle meisjes een vagina" — een zin die feitelijk onjuist is voor de overgrote meerderheid van kinderen in een basisschoolklas.

De wetenschap die wordt ingeroepen

Opvallend aan het lesmateriaal is welke voorbeelden wél worden aangehaald om te onderbouwen dat identiteit vloeibaar en vormbaar is: de chimpansee Lucy, die als mens werd grootgebracht en later moeizaam weer in het wild moest wennen, en het beruchte experiment van psycholoog Winthrop Kellogg uit 1931, die zijn eigen zoon Donald samen met chimpansee Gua opvoedde om te zien welke soort de ander zou overnemen. Dit zijn observaties over dieren die als mens zijn grootgebracht, niet over de ontwikkeling van sekse-identiteit bij gezonde kinderen. Een cross-species opvoedexperiment uit de jaren dertig zegt iets over imitatiegedrag, niet over de vraag of een kind hoort te leren dat lichamen een geslacht hebben. Pertot wijst erop dat dit soort voorbeelden wordt ingezet om de boodschap te onderbouwen dat identiteit grotendeels een kwestie van sociale omgeving is — een conclusie die de gebruikte bronnen niet kunnen dragen.

Ouders buitenspel

Volgens Pertot wordt kritiek van ouders in de uitvoering van het programma stelselmatig weggezet als achterhaald of schadelijk, in plaats van serieus meegewogen. De belangengroep Parents of Adolescents with Gender Distress (PAGD) probeert al langer aandacht te vragen voor ouders die zich zorgen maken over hoe hun kinderen op school met deze onderwerpen in aanraking komen, zonder dat zij vooraf zijn geïnformeerd over de inhoud of om instemming is gevraagd. Dat sluit aan bij een patroon dat breder zichtbaar is: scholen en overheidsinstanties die zichzelf als neutraal presenteren, terwijl ze in de praktijk één interpretatie van gender als uitgangspunt nemen en afwijkende opvoedkundige keuzes van ouders buiten de besluitvorming houden.

Een bekend patroon

Een vergelijkbare terughoudendheid om op te houden met vage taal zag ik eerder bij de Britse taskforce tegen vrouwenhaat die weigert het woord "vrouw" te definiëren: ook daar kiest een instantie voor ontwijkende formuleringen op het moment dat precisie het meest nodig is. En de vraag wie uiteindelijk beslist hoe een kind met zijn eigen lichaam leert omgaan, speelt evenzeer in het Amerikaanse wetsvoorstel dat ik eerder besprak, waarin wordt vastgelegd dat het opvoeden van een kind naar het geboortegeslacht geen vorm van kindermishandeling is. Beide zaken laten zien dat de vraag wie het laatste woord heeft over hoe een kind leert denken over zijn lichaam, allang niet meer alleen een pedagogische kwestie is, maar een bestuurlijke.

Wat hier precies mis gaat

Het verschil tussen terughoudendheid en ontkenning is wezenlijk. Een school die liever niet in details over geslachtsgemeenschap treedt bij achtjarigen, handelt uit voorzichtigheid. Een school die actief een onjuiste zin aanleert — dat niet alle jongens een penis hebben — onderwijst geen terughoudendheid maar een onwaarheid, en doet dat onder het etiket van wetenschappelijke neutraliteit. Dat is iets anders dan vroeger gebruikelijke preutsheid over voortplanting, waar Pertot de vergelijking mee trekt: toen werd een feit niet uitgesproken, nu wordt het feit vervangen door een onjuiste bewering. Voor kinderen die nog bezig zijn met het vormen van een stabiel lichaamsbeeld, is dat geen neutrale aanpassing van taalgebruik, maar een inhoudelijke boodschap over hoe zeker of onzeker hun eigen lichamelijke werkelijkheid is.

Meer achtergrond bij dit soort kwesties staat op mijn publicatiespagina, waar ik vaker laat zien hoe instanties die zich als feitelijk en neutraal presenteren, in de uitvoering toch één kant kiezen. Voor ouders die zich specifiek afvragen wat er in Nederlandse klaslokalen wordt onderwezen over lichaam en gender, biedt het overzicht van lesmateriaal en curriculum op genderopschool.nl een vergelijkbaar, maar op Nederland toegespitst beeld.

Bronnen

Sandra Pertot, "Where did I come from? Don't ask", Gender Clinic News, 5 oktober 2026: genderclinicnews.com/p/where-did-i-come-from-dont-ask.

Edward Jansen

Edward Jansen

Redactie Edward Jansen

Veelgestelde vragen

Wat is het RRRR-lesprogramma?

Resilience, Rights & Respectful Relationships is het verplichte lesprogramma voor sociale en seksuele vorming op basisscholen in de Australische deelstaat Victoria, gebaseerd op het National Respectful Relationships Education Framework.

Wat bedoelt het lesmateriaal met 'gendering anatomy' vermijden?

Leraren krijgen de instructie lichaamsdelen niet aan geslacht te koppelen, met als voorbeeldzin dat niet alle jongens een penis hebben en niet alle meisjes een vagina — een bewering die voor verreweg de meeste kinderen feitelijk onjuist is.

Welk wetenschappelijk bewijs gebruikt het programma om dit te onderbouwen?

Het lesmateriaal verwijst onder meer naar de chimpansee Lucy en Kelloggs cross-species opvoedexperiment uit 1931 (Gua en Donald) — observaties over imitatiegedrag bij dieren die als mens zijn grootgebracht, niet over sekse-identiteit bij gezonde kinderen.