Een arts die meeschrijft aan een richtlijn voor zijn eigen vakgebied, beoordeelt impliciet ook zijn eigen praktijk. Dat is precies het probleem dat Richard Santen blootlegt — en hij spreekt niet als buitenstaander. Santen was van 2019 tot 2020 voorzitter van de Endocrine Society, de Amerikaanse beroepsvereniging die mede-auteur is van de internationale richtlijn voor hormonale behandeling bij genderdysforie. Eind september 2026 publiceerde hij een eigen analyse van de belangenverklaringen achter die richtlijn en de WPATH Standards of Care versie 8 (SOC8), gerapporteerd door onderzoeksjournalist Bernard Lane op Gender Clinic News. Zijn telling: negen van de tien auteurs van de Endocrine Society-richtlijn en 117 van de 121 auteurs van SOC8 hadden wat hij ‘intellectuele belangenconflicten’ noemt. Ter vergelijking: het Britse Cass Review-panel, dat in 2024 tot een aanzienlijk terughoudender advies kwam, bestond volgens Santen juist uit leden zonder zulke conflicten.

Wat Santen precies telde

Een financieel belangenconflict — een arts die betaald wordt door een fabrikant van het middel dat hij voorschrijft — is relatief eenvoudig te herkennen. Santen hanteert een breder begrip: een ‘intellectueel’ conflict ontstaat zodra een auteur zelf patienten met genderdysforie behandelt, er zijn reputatie aan heeft verbonden, of professioneel verbonden is aan klinieken en instellingen wier bestaansrecht afhangt van een bepaalde uitkomst. Zo iemand beoordeelt niet van een afstand of de eigen werkwijze solide onderbouwd is — hij beoordeelt zijn eigen werk. Santen contrasteert dat met de samenstelling van de Cass Review: een ‘assurance committee’ van deskundigen die zelf geen zorg verleenden aan genderdysfore jongeren, en daardoor niets te verliezen of te winnen hadden bij een bepaalde conclusie.

Twee werkwijzen, twee uitkomsten

Dat verschil in samenstelling loopt volgens Santen parallel aan een verschil in methode. De Endocrine Society en WPATH leunden volgens zijn analyse sterker op het oordeel van de eigen experts en op de eigen eerdere richtlijnen, terwijl de Cass Review werkte vanuit systematische literatuur-reviews die onafhankelijk door York University werden uitgevoerd. Het is geen toeval dat de instantie zonder belanghebbende auteurs tot de voorzichtigste aanbevelingen kwam, en de instanties met veruit de meeste belanghebbende auteurs tot de ruimhartigste. Een richtlijn die zegt ‘evidence-based’ te zijn, zegt daarmee nog niets over wie de evidence woog en of die persoon daar belangeloos naar kon kijken.

Niet de eerste barst in dezelfde muur

Santens telling staat niet op zichzelf. Zuid-Afrikaanse clinici wezen eerder al op vergelijkbare bias in een eigen nationale richtlijn, en op edwardjansen.nl beschreven we eerder hoe de Australische zorgtoezichthouder AHPRA zich organisatorisch verbond aan belangenorganisaties die zelf garen spinnen bij het beleid dat zij beoordeelt. Ook de geschiedenis van WPATH zelf wijst in dezelfde richting: de organisatie liet al in de jaren negentig, toen ze nog HBIGDA heette, activisme zwaarder wegen dan psychiatrische voorzichtigheid. Wie dat patroon kent, verbaast de uitkomst van Santens telling niet — maar de precisie van de cijfers maakt het probleem voor het eerst concreet meetbaar in plaats van een vage indruk.

Ook op het dossier van WPATH zelf is dit probleem al eerder in kaart gebracht: wpath.nl documenteert hoe WPATH-bestuursleden vaak zelf chirurg of voorschrijver zijn in dezelfde klinieken die de SOC8-richtlijn als legitimatie voor hun eigen praktijk gebruiken — een structureel patroon waar Santens auteurstelling een cijfermatige onderbouwing aan toevoegt.

Wat dit niet bewijst — en wat wel

Belangrijk om scherp te houden: een intellectueel belangenconflict is geen bewijs van opzettelijke fraude, en Santen beweert dat ook niet. Een arts die gelooft in de behandeling die hij geeft, hoeft niet oneerlijk te zijn. Wat de telling wel aantoont, is dat de claim dat SOC8 en de Endocrine Society-richtlijn een neutrale, zuiver wetenschappelijke consensus weerspiegelen, niet standhoudt — niet omdat de auteurs slecht werk leverden, maar omdat vrijwel niemand van hen in de positie was om de eigen aannames onbevangen te toetsen. Dat is precies de functie die een onafhankelijk panel, zoals dat van de Cass Review, wel kan vervullen: afstand nemen van een praktijk om te kunnen beoordelen of die praktijk houdbaar is.

Voor Nederlandse artsen, indicatiestellers en tuchtcolleges die zich op SOC8 of de Endocrine Society-richtlijn beroepen, is dat relevant. Een richtlijn ontleent gezag aan de kwaliteit van het proces waarmee ze tot stand kwam — en dat proces blijkt, nu voor het eerst in cijfers uitgedrukt, zwaar bezet met auteurs die zelf iets te verliezen hadden bij een kritischer uitkomst.

Bronnen

  • Bernard Lane, “Biased brains”, Gender Clinic News, 23 september 2026. Lees het artikel.
Edward Jansen

Edward Jansen

Redactie Edward Jansen

Veelgestelde vragen

Wat is een ‘intellectueel belangenconflict’ bij een richtlijn-auteur?

Het gaat niet om financiële betalingen, maar om auteurs die zelf patienten met genderdysforie behandelen of professioneel verbonden zijn aan klinieken wier bestaansrecht afhangt van een bepaalde uitkomst van de richtlijn die zij zelf opstellen. Zij beoordelen daarmee in feite hun eigen praktijk.

Hoeveel auteurs van SOC8 en de Endocrine Society-richtlijn hadden zo’n conflict?

Volgens de telling van oud-Endocrine Society-voorzitter Richard Santen hadden 117 van de 121 WPATH SOC8-auteurs en 9 van de 10 Endocrine Society-richtlijnauteurs een intellectueel belangenconflict.

Hoe verschilde de samenstelling van het Cass Review-panel hiervan?

Het Britse Cass Review-panel bestond uit deskundigen die zelf geen zorg verleenden aan genderdysfore jongeren en werkte met onafhankelijke systematische literatuur-reviews van York University — zonder de belangenconflicten die Santen bij WPATH en de Endocrine Society aantrof.